HYSTORY

Jaren Maanden Auteur Titel
2000 aug IJf de Jong Vakantie Verhylen


Vakantie Verhylen


Wie ver (veel) reist heeft veel te verhalen. De reisverslagen: we komen ze niet meer zo gek vaak tegen in Camion. Maar waarom niet? Om een voorbeeld te stellen, het reisverslag van uw redacteur.


In onze voorbereidingen hadden we een aantal zaken op een rijtje gezet die we, zo mogelijk, zouden gaan doen c.q. bezoeken. Ik wilde in ieder geval de Alpen berijden, althans een aantal en niet meteen de allerhoogsten. Ella wilde heel graag nog een keer naar de Provence (voor de Lavendel). Verder hadden we uit de ANWB-gids van vorig jaar nog wat dingetjes geplukt die ons wel aanspraken: de Gorges du Verdon, het ‘Colorado’ van de Luberon en de Calanques van Cassis. In dit reisverslag zullen we proberen u niet onnodig te vermoeien met de keren dat wij gingen tanken, de boodschappen deden, eten, koffie drinken e.d. Neem van ons aan dat ook dat allemaal gebeurde.

Do. 17 juli 00
Omdat Ella al veel voorwerk verricht had konden we bijtijds weg; 12.00 uur en voor ons is dat zelfs vroeg. Het weer leek redelijk stabiel, wat wolkenvelden maar wel droog en een matig zonnetje. Na Brussel veranderd dat en nabij Charleroi hebben we flinke stortbuien. Van voorgaande jaren had Ella nog wat Belgisch geld bewaard zodat we, voor we België uitreden, nog even konden tanken (gas). Vlak onder Sedan vinden wij onze eerste campingplaats (30 plaatsen, dus echt klein). Op de plek die wij aanvankelijk op het oog hadden, konden wij de auto niet kwijt. Niet zozeer vanwege de grootte van de bus of een al te letterlijke opvatting van de ‘kleinte’ van de camping maar vanwege de nattigheid van het gras. We slipten gelijk alle kanten uit en het zag er naar uit dat het niet zou lukken de bus op een goede wijze op die plek geparkeerd te krijgen. Derhalve voor een ander plekje gekozen. ’t Was toch maar voor een nacht dus keken we echt niet zo nauw. Nadat de kinderfietsen uit de bus waren gehaald waren Rens, Naut en Benthe gelijk aan het fietsen geslagen. En wat is er leuker dan door plassen en modder te scheuren. In no-time waren de fietsen van onder tot boven vies en de kinderen evenzo. Het verplicht schoonmaken maakte de zaak er niet beter op.
Er waren meer Nederlandse gezinnen, ook de fietsen mee. Één van die kinderen kreeg een enorme klapband. Zijn vader kreeg later op de avond van ons de bandenplak die hij vergeten was. Overigens bleek toen dat het buitenbandje ook helemaal verrot was en er viel dus weinig meer te plakken. Later op de avond kwam de man nogmaals langs met de bescheiden vraag of wij hem konden helpen met het opwaarderen van het beltegoed van zijn mobiele telefoon. Nou hadden wij aan veel gedacht, maar dat had nou net niet op het lijstje gestaan …

Vr. 28 juli 00
De volgende dag gaan we zo rond 11.15 uur weg. Het weer is niet echt geweldig, af en toe een bui en verder veel bewolking. Voor het autorijden zelf is het niet zo erg. Beter dit dan met bloedheet weer te moeten rijden. Onderweg worden we van de weg geplukt door de gendarme; politie-controle dus! Rijbewijs laten zien, autopapieren e.d.. Vervolgens begint het agentje over iets wat ik versta als ”of ik cola wil", maar Ella begrijpt eruit dat hij mijn groene kaart wil zien. Dat mag. Daarna wijst het agentje op het groene papiertje dat op mijn voorruit zit en in onvervalst Frans zegt hij wat tegen mij. Ik sta weer eens met een mond vol kunsttanden met mijn koeterwaals Frans. Wat wil die man nou eigenlijk? Het komt er op neer dat het groene kaartje dat middels een plasticje op onze voorruit zit en dat door mij als een heilig relikwie wordt bewaard, van de voorruit moet. Het is een verlopen verzekeringsbewijs en in Frankrijk moet er een geldig bewijs op zitten. We verwijderen het om het, zodra we de hoek om zijn weer vrolijk terug te plaatsen. Rare jongens, die Fransen (en wij niet minder). Al met al zijn we niet erg opgeschoten.

[Voor de goede verstaander: mijn Frans reikt niet verder dan: “du pain, du vin et une biere grande”. Op de middelbare school was de leraar Frans nog coulant met het geven van het eindcijfer door het optellen van de drie toetsresultaten: een drie! Sindsdien bedien ik mij van koeterwaals Frans: een mengeling van Frans, Duits, Engels en Nederlands. Dit alles ondersteund door gebarentaal. Één keer heb ik het ook met buikspreken geprobeerd, maar dat sloeg niet echt aan.

Vlak voor de plaats Langres nemen we even een rustpauze. Ella tovert een buitengewoon lekker appeltaartje uit de campingkoelkast. Die heeft ze voor vertrek nog bij de bakker gekocht in een ‘overlevingspakket’. De bakker ging ook op reis en was kennelijk bang dat zijn klanten hem maar met moeite zouden kunnen missen. Leuk bedacht trouwens van de bakker, en van Ella natuurlijk. Mmm, heerlijk. Zo wil ik elke dag wel overleven. Als we Langres door rijden begint aan de linkerzijde een vrouw heftig te zwaaien en te lachen en te wijzen. Wij lachen, zwaaien en toeteren driftig terug en kijken in de richting waar de vrouw wijst. Een bruine HY staat om een hoekje. Vandaar dat enthousiasme. We zullen onderweg nog heel wat HY’s zien, waarvan de meesten niet meer in gebruik en daarvan de meesten zelfs niet meer in staat te rijden.
In Dôle houden wij het voor gezien en zoeken daar de camping. Met dat wij de camping oprijden wordt het weer prachtig!. Lekker hoor!

Za. 29 juli 00

Wij houden een dagje rust in Dôle. Altijd prettig na twee dagen rijden. Over het algemeen rijden we niet langer dan 3 à 4 maal 1½ uur met steeds (minstens) een half uur pauze. Met twee dagen rijden is een dag niet rijden toch noodzakelijk. Voor ons en voor de kinderen. Het moet tenslotte leuk blijven. We gaan Dôle in en daar blijkt dat we de markt net gemist hebben.
 
Ook gaan de winkels net dicht. Dat heb je met ons eindeloze gekeutel in de ochtend. Uitslapen mag er dan niet bij zijn, een lang ontbijt, koffietafel en andere ochtendrituelen vinden we wel heel lekker.
Wel vinden we elders in het stadje ondergrondse bronnen die we met enige moeite ook ondergronds weten te bezoeken. Het ziet er wel indrukwekkend uit. Helaas hebben we hier qua voorbereidingen niet op gerekend en onbrak Dôle dus op het lijstje van boekjes die we nog eens zouden moeten doornemen. Dat komt dus nog een keer! Heel leuk was dat je er zowel boven- als ondergronds van kunt genieten. Het stadsbestuur heeft haar werk goed gedaan. Bij een fonteintje rusten we even uit en Rens verricht de nodige wonderen om de weinige centimes die in het vijvertje liggen te veroveren. Deze wonderen zullen vast niet door de gulle gooiers zijn gewenst, een kniesoor die daar op let! Hij heeft er een nat hemd voor over. Dôle is een aardig plaatsje en beschikt over een aantal bijzondere bezienswaardigheden. Wij laten ze echter voor wat ze zijn, doen boodschapjes en keren terug naar de camping. Trekken een wijnflesje en onze ligstoeltjes open en luieren er op los.
Vakantie = fantastisch!
In de avond vallen er weer een paar flinke stortbuien. Het veldje waarop wij staan is veel gebruikt zodat er vele plekken zijn zonder gras. Dit verandert alras in een modderpoel. We strooien flinke bergen grind (van de oploop naar de toiletgroepen) om de ergste gladheid te bestrijden. De regen stopt en het wordt een behoorlijk stuk kouder. Betekend dat voor morgen mooi weer??

Zo. 30 juli 00
Vroeg op moeten betekent bij ons vaak dat de kinderen uitslapen en 10.00 uur weg wordt dan al snel 11.00 uur of later. We staan wel op met een helder zonnetje aan de hemel. Vanwege de regenbuien van gisteren ligt er overal modder en moet er dubbel aandacht geschonken worden aan het opruimen en schoonmaken. Alles is vies en de tent ook nog nat. Vlak voor elven is ‘ie toch nog droog gebrand door de zon. Bij het afzwaaien van de camping zie ik vanuit mijn ooghoek nog een grote blauwe auto staan met een plaat GB erop. Aan het model te zien moet het een Magirus zijn. Helemaal zeker ben ik er niet van maar we hebben daar geen mogelijkheid meer te stoppen. Te laat dus voor een praatje en/of een praatje. We kachelen rustig Dôle uit naar Poligny en vervolgens naar Bourg-en-Bresse, Amberieux-en-Bugey en Voiron. Vanaf daar pakken wij de Tolweg bij en rond Grenoble. Voor pakweg 10 Francs hoeven wij het niet te laten en het scheelt ons het ongemak de binnenstad van Grenoble te moeten doorkruisen. Vast wel leuk, maar niet nu. Na Grenoble pakken we de N85 op die naar Gap en verder leidt. Dit is de Route Napoleon (zie kader) en wij nemen deze in omgekeerde richting.

Het is de eerste echte test voor onze HY. Direct met het oprijden van de N85, het stukje van le Pont de Claix naar Laffrey moeten wij klimmen. Wij is de bus. En niet een klein beetje, nee, gelijk maar heftig! Wij draaien erop in z’n twee en moeten al na een tweehonderd meter naar z’n eerste versnelling. Razend spannend! Redt ‘ie het of redt ‘ie het niet? Het eerste uiteraard. Achter mij vormt zich in razend tempo al een stevige rij auto’s. Ik heb het nog niet ontdekt maar Rens, die de bijrijder is wel en imiteert de nieuwste reclame voor mobiel bellen met GSM berichten om mij er op te attenderen dat de rij wel erg lang wordt. [Camera gericht op oudere dame en heer in oudere auto. Dame leest GSM bericht uit mobiel voor. (Rens grapt: “Een file op de weg naar Gap. Is dit de weg naar Gap?”) Man (Rens) reageert: “Ja, dit is de weg naar Gap. Ik zie helemaal geen file.” Camera zoomt uit en laat de weg achter de auto zien. Een lange stoet auto’s, tot ver achter de horizon wordt zichtbaar]. Het lijkt er inderdaad veel op. Zodra het mogelijk is laat ik onze volgers passeren. In rap tempo komen er zo’n twintig wagens voorbij waarvan zeker een stuk of vijf met caravan en twee vrachtwagens. Wij tuffen met bijna razende motor en in een tempo van 35 km/u omhoog.

Fantastisch! Onze eerste echte klim is glansrijk doorstaan. Wij voelen ons heel bijzonder. Een beetje onzin is het wel maar toch zijn we trots op onze bus. We worden beloond met weidse vergezichten, sprankelende beken en grootse Alpentoppen waar de zon vol op staat te schitteren. Zo mooi! Hier kwam ik voor! 

Een tweede beloning volgt: vlak voor het plaatsje La Mure treffen wij nog een HY aan. Een witte; aftands en verlaten, ooit Pizzahut vlak voor een buitenbebouwdekomse dancing. Een korte inspectie: deze is flink rot, ooit overgeschilderd, de motor zit er nog in. In de laadruimte ligt de rootzooi hoog opgestapeld. Een bijna zielig gezicht. Wij hebben geen tijd en zin om ‘m te slopen hoewel het voor onze onderdelenvoorziening wel prettig geweest zou zijn. Na een plaatje geschoten te hebben gaan we verder.
 
We vallen tijdens het rijden van de ene in de andere verwondering. Zoveel schoons om ons heen. Bij het plaatsje Bonnet, waar wij een camping zoeken treffen we nog een HY. Ditmaal op een pleintje. Deze lijkt nog in gebruik te zijn, de reclames van de zaak staan er nog fris op, van een slager dus. We schieten ook hier een foto van.
De camping vinden wij ook, nadat we eerst een bobbel op de weg, die vooraf niet door ons gezien was, hebben overleefd. De bus krijgt een ongelooflijk opdonder op de ‘trekogen” vòòr onder de wagen als wij met een klein vaartje over de bobbel heen komen. We horen en zware bonk en zitten zelf met de hoofden tegen het plafond. Oeink, wat een klap! De schrik zit er goed in. Een eerste blik onder de voorzijde van de auto laat ons verder geen beschadigingen zien. Één van de ogen zit iets minder goed vast dan voor de klap, dat is al. De camping bevalt ons niet en we rijden toch maar een stukje verder. Het plaatsje uitrijdend zien wij de slagerszaak. Zelfde opschrift en letters op de etalageruit.

Na de ‘Col Duyand’, een draak van een berg, vooral om af te dalen, vinden we een camping. (Niet die welke Ella in het ANWB campingboek had opgezocht, maar dat merken we pas de volgende dag). Voor 1 nacht wordt deze goedgekeurd. Op de helling bij de receptie blijkt de handrem onvoldoende werking te hebben. We rollen achteruit!!!  Na een stamp op het rempedaal staan we weer stil. Nu maar gecontroleerd naar achteren. Op een iets minder steil stukje staan we weer stil. We starten weer en nemen de helling naar boven waar een prettig plekje op ons ligt te wachten. Na enige tijd komt er nog een auto het ‘terras’ op.
Nederlanders, hoe kan het ook anders. Zij zijn rechtstreeks vanuit het Twentse achterland, in één ruk door naar hier gereden. Mevrouw zegt: “… alleen dat laatste gedeelte, die Route Napoleon, wat een rotstuk was dat.”
Wat een verschil in beleving!!

Wij reizen niet naar een doel, reizen is (ook) het doel!
Toch willen wij bij haar een blikopener lenen, die zijn wij vergeten. Zij ook! Het blik gaat uiteindelijk open met een onderdeel van het Zwitsers zakmes dat ik verleden jaar nog op mijn verjaardag kreeg. Komt het eindelijk van pas.
Als de kinderen ’s avonds laat onder de lappendeken liggen kunnen wij nog genieten van het Groot Gaps Krekelkoor. Vanaf hier hebben we zicht op de 1001 lichtjes van Gap. Wat een schitterend gezicht en wat hadden wij een prachtige dag.
 
Ma 31/07/00
Wij hebben één van de doelen bereikt: de Alpen. We rijden van Gap via de N85 verder naar het zuiden. Dit gedeelte valt tegen in vergelijking met gisteren. Een wat kale route met weinig moois of imponerends. We tanken in Gap en bij het tankstation stopt een merkwaardig wit autootje. Een Morris Minor. Ik trek het foto toestel en schiet een plaatje. De eigenaar van de auto ziet het glimlachend aan en wenkt. In stoethaspels Frans en Engels confereren we daar. Hij weet in ieder geval duidelijk te maken dat hij vijf van dit soort auto’s heeft en nog twee andere auto’s waarvan mij het merk jammer genoeg inmiddels ontschoten is. Als ik tegen de man zeg dat hij in ieder geval een dure hobby heeft, zegt hij lachend terug dat het anders toch maar aan verkeerde dingen opgaat. We nemen hartelijk afscheid.
We rijden weer door en op een kleine parking stoppen we even voor een uitgesteld ontbijt. Ergens achter ons is kennelijk een vliegveldje voor kleine toestellen. Verschillende vliegtuigjes zien we stijgen  en landen. De kinderen vinden het schitterend.
Met de N85 mee, zwenken we naar Digne. Vlak vóór we deze plaats uitrijden zien we rechts van de weg een steenfabriek. Tegelijk zien Rens en ik ook, op de parkeerplaats ervoor, een HY staan. We rijden direct het terrein op voor een fotootje. Nog voor we stilstaan komt een Fransmanneke, want echt groot is ‘ie niet, uit een iet wat verder van de weg afliggend gebouwtje lopen. Ik vraag hem of ik de HY mag fotograferen. Dat mag. Hij vraagt mij of ik de auto wil kopen. 5000 franse francs slechts. Ik leg hem uit dat ik op vakantie ben en geen mogelijkheden zie het ding op sleeptouw te nemen of opeen later tijdstip op te halen. Ik schiet nog een foto. "3000 francs, dan mag ik hem zó meenemen". Ik wijs het aanbod vriendelijk, doch beleefd, af. We doen het ècht niet. De auto is ook nog in een deplorabele staat. Nog één detail-fotootje … "Nou, voor 1000 mag ‘ie zo mee". Ik wil echt niet! Ik moet werkelijk moeite doen om de man duidelijk te maken dat ik z’n oude autootje niet wil kopen. Hij wil hem maar wat graag kwijt. Spijtig …

We rijden de steenfabriek weer af en  rechts van de weg ligt alweer de volgende verrassing. Een fantastische piscine. Gauw de parking opgedraaid, zwemspullen pakken en er naar toe. We pakken elke gelegenheid aan om een frisse duik te nemen, als die zich voordoet Na een anderhalf uur vervolgen we onze reis. Na Digne nemen we de N553. We kunnen enige tijd de spoorlijn van het boemeltje van en naar Nice naast ons zien. Van Fridus Vis hoorden we dat het wel bijzonder moet zijn hiermee een reis te maken. Nu komt het er niet van. Wellicht doen we dat ook nog wel. We Rijden door om via Riez bij ‘le Lac de st. Croix’ te komen

Een schitterend blauw meer (zie kadertekst). Vanaf 1980 in toenemende mate een toeristische trekpleister. De campings zitten vol, vol en nog eens vol. We hadden niet veel anders verwacht. In de plaats Aiguines, schitterend dorp, vinden we een camping met nog open plaatsen. Na enige tijd rond gekeken te hebben snappen wij dit wel. De meeste plaatsen zijn zo ongelooflijk scheef dat je je ’s ochtends mag verbazen dat je nog in je tent ligt en niet de berg af, het meer ingekukeld bent. Hier kiezen wij niet voor. Overigens ziet de camping er zeker wel charmant uit. Jammer. Richting Moustiers Ste Marie vinden wij een camping die zich ‘Le Petit Lac’ noemt. Niet gek als je weet dat le Lac de St. Croix zeker zo groot is als het meer van Annecy.  We krijgen daar een ‘frisse’ plek. Helemaal niet verkeerd! We klokken de kilometerteller van de bus op 85.700. Er zullen vast snellere wegen zijn en vast ook kortere, maar voor ons was deze route heel goed.

Na eerst onze spullen een plaats te hebben gegeven, gaan we naar Moustiers voor de boodschapjes. Vanaf deze kant moeten eerst een paar bochtjes omhoog genomen worden. Aan het topje, kort voor het plaatsje daadwerkelijk begint en vlak voor een rotonde, staat een garage met maar liefst drie HY’s voor de deur. Wel verrot! Twee huifmodellen en een gesloten model dat we alleen van achteren kunnen zien.
Was de dag stikheet, de avond is koel en daardoor prettig.

Di. 01/08/00

Verplichte rustdag! We verkennen de camping. Naut loopt tegen een klasgenootje aan, verbazing alom en verlegenheid groot. We ontdekken alras waar de camping zijn naam aan ontleend. Le petit lac slaat op het meer dat achter de camping ligt en waar ook zeer wel gezwommen kan worden. De hele middag liggen we gestrekt op de badlakens, terwijl de kids zich bijna uitsluitend in het water weten te vermaken.
Een warme, warme dag. Wij moeten nog even wennen aan die warmte …

Wo. 02/08/00
We gaan weer één van onze doelen vervullen. Een rondrit door de Grand Canyon du Verdon. Contrôle van het eigen water brengt aan het licht dat het waterpeil ernstig laag is. We mikken er gewoon Frans leidingwater in bij gebrek aan beter. Morgen of overmorgen verversen we de boel wel weer met echte radiateurvloeistof (goed scrabblewoord). De rit is in één woord schitterend!!! We zijn verrukt door de uitzichten die we krijgen te zien, de bergen, de vallei… fantastisch! En nog meer verrukt zijn we van onze bus. Moeiteloos (nou ja, moeiteloos…) word de ene helling na de andere genomen.
Het ene schoongezicht wordt verruild door het volgende en dan weer het volgende. We kunnen er maar niet genoeg van krijgen. Als Alice in Wonderland. Toch stoppen we lang niet bij elk plekje of elke gelegenheid die zich voordoet (je blijft bezig).


Tot we onderweg en alweer terugkerend een gedeelte zien waar wij vrij makkelijk kunnen recreëren We stoppen en zetten de auto zo rechts mogelijks in de berm.
De uitsparingen aan deze zijde zijn smaller dan die wij op het eerste gedeelte zagen. Bovendien zitten we vlak voor en vlak na een bocht, dus moeten we goed rekening houden met het verkeer van beide kanten. Hopelijk doen zij dat dan met onze bus tijdens onze afwezigheid.
Zwembroeken, handdoeken en wat versnaperingen worden tevoorschijn getoverd. We lopen een pad af naar beneden, naar de Verdon. De rivier staat laag en 500 meter rechts van ons aan de overzijde blinkert een heerlijk kiezelstrandje. Het lijkt wel of het op ons ligt te wachten. Ella heeft als enige haar waterschoenen aan, wij moeten het water door op onze blote voeten. Dat valt niet altijd makkelijk. Sommige stenen zijn zo glad al paling. Gelukkig blijven we allemaal overeind.

Op dit strandje vermaken wij ons een heerlijk uurtje. Steentjes keilen, dammetje bouwen en uiteraard pootje baden en zwemmen. Goed afgekoeld waden wij weer terug. Ella verliest echter mijn zwembroek en heeft het zelfs niet eens in de gaten. Rens en ik wel. Helaas valt de broek in het stromende gedeelte en is binnen de kortste keren al een eind weg. Ik sta met Naut en Benthe ieder aan een hand en ook nog niet op het droge. Net op het moment dat ik tegen Ella wil roepen: “nou ja, laat maar drijven. Ik koop wel een nieuwe”, komt uit het niets een kanoër te voorschijn. Hij zet een sprint in, de wegschietende zwembroek achterna. Peddel, peddel pats: hij heeft hem, nee toch niet. We zien hem grijpen naar het kleinood, we zien de rots voor hem die hij niet ziet, wij zien hem half omslaan, overeind komen, nog een greep doen en vervolgens helemaal onder gaan in zijn poging mijn al lang en breed afgeschreven en sterk verkleurde zwembroek te redden. Als de kanovaarder weer staat houdt hij triomfantelijk het ondeugende kledingstuk omhoog. Dappere kanovaarder: met gevaar voor eigen leven een hele zwembroek redden. Zelden hebben wij zó gelachen.
Als we terugkomen bij de auto staat deze er nog onbeschadigd, gelukkig maar. We maken onze rit af en blijven met volle teugen genieten! Het blijft mooi. Met een omweggetje als toetje worden er boodschappen in Riez gedaan.
Van Riez af rijden we richting St. Croix om via een kleine weggetje vlak voor Moustiers weer op de verbindingsweg te komen. Het venijn van dit kleine weggetje zit zoals venijn hoort te zitten: in het staartje. Ik meende al wat haarspeldbochten te hebben gereden en al wel een stevige afdaling gehad te hebben, maar van het bordje 18% sur 4 km met zo’n kras eroverheen, kreeg ik toch wel ernstige kriebels.
 
Jeetje zeg, in de eerste versnelling naar beneden en elke vijftig meter een bocht en evengoed voelen en merken dat het gewicht van de auto de motor opjaagt naar hogere snelheid. Ik kreeg er de griezels van. Zouden de remmen dit wel houden.. 
Wat spannend! Moe en voldaan stortten we ons, op de camping, op het stokbrood, de wijn (of het fris). Weer een prachtige dag. En we zijn nog maar een weekje onderweg.

Do. 3 aug
Alweer een rustdag. We wisselen Meestal 1 dag rijden af met 1 dag rust. Na onze ochtendrituelen van lang ontbijt, koffie leuten, beetje kletsen links en rechts, gaan we lopend naar Moustiers St. Marie.
Na wat gedreutel kunnen de kinderen souvenirs kopen, terwijl wij onze te versturen ansichten verzamelen. In één van de vele winkeltjes vinden we een tableau met gekeramiekte auto’s waaronder een snoek en een Traction Avant. Ik schiet er snel een fotootje van, bij het ontwikkelen later in Nederland blijkt dat het iets te snel is geweest. Ze zijn wat vaag. Jammer.
Net als op de heenweg wordt ook op de terugweg een veldboeket in elkaar geplukt. De 3,5 km, heen berg op, hebben we redelijk snel gelopen. Een deel langs de weg, een deel langs paden aan de zijkanten van de weg.

Vr. 4 aug.
We hebben nog doel te bereiken: zwemmen in le Lac de St. Croix.  Omdat we eerder al een route vanaf Riez en St. Croix langs het meer gereden hebben, gaan we ditmaal richting Aups. We komen dan, als we weer richting St. Croix gaan, de barrage tegen. De stuwdam. Vanaf de Camping ligt het meer rechts van ons. Het blijft vreselijk mooi dat blauw/groene meer te zien liggen. We rijden even door naar Aups voor wat boodschapjes. De weg er naar toe is bosrijk en ook hier worden we weer verrast door de franse wegenbouwers: de laatste kilometers sterft het weer van de (haarspeld-) bochten! Aups is ook weer zo’n schilderachtig Provençaals plaatsje. Hoewel we het dorpje niet uitgebreid bezoeken lijkt het wemelen van aardige doorloopjes, bruggetjes, straatjes e.d. We schrijven het bij voor een volgend bezoek aan deze streek. Via de (haarspeld-) bochten gaan we weer omhoog en slaan dan af naar St. Crois. Rechts van ons ligt weer het meer en al snel hebben we uitzicht op het plaatsje Bauduen (zie kader)

Vlak nadat we de barrage zijn gepasseerd zien we in een flits links van de weg een gele HY staan. We stoppen voor een fotootje. Om deze auto er een beetje netjes op te kunnen krijgen moeten we even het erf betreden. We horen en zien twee tellen later een hond. Een herdershond. Na ons aanschouwd te hebben stopt het blaffen. We lopen iets verder en de hond loopt met ons mee en blijft met zijn kop hinderlijk dichtbij mijn voeten. Ik heb er geen goed gevoel bij. Elke stap die ik neem lijkt voor de hond reden nog iets dichter op mijn voeten te komen met zijn snuit. Rens en Naut, die met mij zijn mee gelopen knijpen ‘m ook. Met een: “Koest Bello, rustig maar Bello” -ik spreek tenslotte mijn talen- probeer ik mijzelf en de kinderen gerust te stellen. Toch kunnen we een foto nemen. Het lijkt er op dat deze HY nog volop in gebruik is. Prompt zien we op het terrein nog een HY, die ziet er uit als onderdelenauto. Ik schuifel voorzichtig verder het terrein op in de hoop dat uit het nabij gelegen huis nog iemand naar buiten zal komen om de hond tot de orde te roepen. Dat blijft bij ijdele hoop, er komt niemand. Zelfs de krekels zijn stil, of zou ik me dat hebben verbeeld? Na 50 angstige metertjes, kan ik ook van deze bus een foto schieten. Met z’n drieën schuifelen we voorzichtig van het terrein. Op een denkbeeldige scheidingslijn van erf en openbare weg blijft de hond staan en heft zijn geblaf weer aan. We slaken een zucht van opluchting Foto’s gemaakt en alle lijfelijke onderdelen nog aanwezig. En … weer een avontuur bij te schrijven in het notitieboek.
We rijden St. Croix binnen via een smalle straat die stevig afloopt. We vinden al snel een plek voor de bus en even later, bepakt en bezakt voor ons ook. Volop in de zon! Naast ons vertrekt er een grote Franse familie en laat een heerlijke plek in de schaduw achter.
De zon brand fel aan de hemel, de koperen ploert doet zijn werk. Wij genieten volop! Het water van het meer lijkt wat koud als je lui vanaf je badhanddoek er in wil plonzen. Eenmaal ‘door’ is het echter heerlijk. Fris, tintelend en verkoelend.

Er staat een lekker briesje wat er voor zorgt dat het niet benauwd voelt. Aan het eind van de middag zien we echter aan de einder de eerste vette, zwarte wolken aan de hemel verschijnen.
Ze komen ook dichterbij en beloven een stevige bui. Een half uur na deze ontdekking stappen wij op. Bij de auto vinden wij een briefje op de voorruit:  van Aad en Anke van de Sijde (secretaris van de vereniging), met hun mobiele telefoonnummer. Dat bellen stellen we nog even uit. We willen eerst maar eens ‘thuis’ zijn want de hemel begint er nu toch echt dreigend uit te zien. Snel, snel naar Riez voor de boodschappen. Ho, halt, stop! Politiecontrole. Opnieuw worden we tussenuit gepikt, ditmaal voor een alcohol controle. Tekst en uitleg is niet nodig: een zakje met een tuutje eraan en blazen maar. Nu heb ik een grote blaas dus zit het zakje zo vol. De gendarme doet een buisje op het tuutje en knijpt met volle kracht het zo juist door mij met kracht opgeblazen zakje weer leeg. Ik verwacht nog een pieptoon zoals ook bij feestballonnen het geval is maar er komt niets. Dat klopt.  Behalve een slok ‘Lac’, die ik ook nog per ongeluk binnen had gekregen, heb ik niet gedronken. Dank u heren, we kunnen weer gaan. Het regent nog steeds niet. Na het bezoek aan de supermarkt, die in Frankrijk zonder uitzondering hyper-, super- of intermaché lijken te heten is de hemel inktzwart. Eenmaal het plaatsje uit krijgen we de volle laag. Droppels als kwartjes zo groot ploffen op onze voorruit kapot en kletteren, nee, teisteren onze bus. Wij nemen, tot grote ergernis van enkele Fransen achter ons, flink gas terug. Zeker hier in de afdaling naar benee. Vlak voor Moustiers St. Marie begint de motor te stotteren en te haperen en geeft er na enige tijd de brui aan. Het gas kan niet op zijn, waarschijnlijk last van de regen. We schakelen snel over naar benzine. Dan rijdt ‘ie weer goed. Op de camping aangekomen regent het nog onverminderd hard. De kinderen springen de auto uit en duiken met snoeksprongen de tent in. Ik hoop op verbetering van het weer maar kan ‘t wel vergeten. ’t Is inmiddels 19.00 uur en ik schiet mijn regenjas aan. Het wachten in de auto heeft geen zin. In de stromende regen zet ik de luifel op. Eenmaal geïnstalleerd, de grootste ongemakken weggewerkt en de barbecue brandend, houdt het op met regenen. De barbecue wordt gezellig en erg laat. De muggen houden ook erg van vlees, merk ik. De kinderen gaan na onze late feestmaal zo van tafel in bed. Weer een geweldige dag gehad.

Za. 5 aug.
Hoewel er nog veel valt te zien en te beleven valt in en om het ‘lac’ en de ‘Grand Canyon’ willen we toch afreizen richting Middellandse zee. Naar Cassis om precies te zijn. Daar zijn de Calanques …
Op deze plek komen wij in ieder geval beslist nog eens terug. We rijden via de D11 en D13 naar Tavernes, daar de D560 naar St. Maxime. Ook weer een schitterende route. Nabij het plaatsje Ciatel hopen we een camping te vinden. De camping die wij op het oog hadden is echter vol. En ditmaal ook echt vol, we kunnen er echt niet meer bij. We rijden nog weer iets ‘omhoog’ naar het plaatsje Ceyreste. De camping wordt goed aangegeven. De weg er naar toe loopt licht omhoog en vlak voor de camping zelfs erg steil omhoog. Het komt mij bekend voor. Ook hier de camping complet. Maar voor deze HY en inzittenden blijkt toch nog weer een plekje te zijn. Er wordt gezwicht en wij mogen er staan.
Overigens weet ik inmiddels waarom deze camping voor mij niet nieuw meer is. Begin jaren tachtig was ik hier ook al eens. Toen met 5 vrienden in twee besteleenden een ‘Tour de France’ gedaan. Met de bedoeling voorbij Marseille te komen. Naar een plek waar wilde paarden vrijelijk in een stuk natuur rondlopen. Wij waren hier, in het begin van de avond gestrand nadat wij elkaar nabij Cassis op de autosnelwegen waren kwijt geraakt. In Ciotat vonden we onze vrienden weer terug. Het was toen al laat in de avond en wij moesten toen nog een camping vinden. Deze dus. De herkenning zat dan ook in de lange oprijlaan naar de camping toe. Het levert de nu nog altijd levende anekdote dat één van de vrienden, die nog maar net zijn rijbewijs had, de besteleend parkeerde voor het hek van de toen ook al gesloten camping en de handrem vergat aan te trekken. Het gevolg laat zich makkelijk raden: hij stapte uit en de auto begon langzaam meer zeker achteruit te rollen. Mijn eend stond er een meter of drie achter en ik zag het gevaar al naderen. Door koelbloedig optreden van één van de andere vrienden, die een spurt naar de auto nam, van de passagierskant er in dook en de handrem aantrok, bleef de schade beperkt tot schrik. Ach ja, wat een leuke tijd.

Nadat wij ons gesetteld hebben op een ‘bijplaatsje’ van de camping en de jeu de boulesspelers achter en onder ons op de baan danig hebben afgeleid kunnen we nog even genieten van de zachte, koele zomeravond. Niet voor lang. Bij de poort van de camping, waar wij vrijelijk uitzicht op hebben komt een reuze camper met mini Italiaan achter het stuur. Wat de Italiaan te kort heeft wordt gecompenseerd door het teveel van de camper. Die ook nog een aanhanger blijkt te moeten voorttrekken met een trike er op. Niet veel later komt de eigenaresse van de camping onze kant op, loopt echter door naar de jeu de boules baan. De spelers worden, naar het geluid en de toon te horen, niet vriendelijk gevraagd op te zouten. De baan wordt min of meer schoongeveegd door de dame. Vervolgens zien wij de camper (met veel, heel veel) moeite de baan op draaien. Bijna dreigt het nog mis te gaan als dat joekel achteruit moet insteken om nog een beetje fatsoenlijk weer weg te kunnen en zowat een boom en daarmee zijn eigen dak ramt. Ja, ja, het grootste vermaak is …
Het gaat allemaal nog net goed.
Als we ’s ochtends wakker worden staat de hele jeu de boulesbaan vol. Vier tenten van een gelijk aantal motorduivels en nog twee van fietsers/wandelaars en nog een auto met caravan. Hoezo: Complet??

Zo. 6 aug.
Onze intentie om vroeg op te staan en snel te vertrekken naar de Calanqeus slaagt gedeeltelijk. Het eerste lukt, het tweede bij lange na niet. Het is al over twaalven als wij de camping af rijden, onze kampeerspullen blijven achter, we komen nog terug. Het is niet erg dat het wat later is geworden dan we gehoopt hadden want Cassis ligt erg dichtbij. Maar dat het zo ontzettend druk is hebben we niet ingecalculeerd. Gelukkig worden de Calanques al direct goed aangegeven op borden. Wij hebben ons oog laten vallen op één van de Calanques die wat dichter bij Marseille ligt. We worden echter naar de Calangues van Cassis gemanoeuvreerd We rijden her en der door straten heen en zien uiteindelijk een aantal inhammen die de ‘Calanques de Cassis’ moeten zijn. Dat blijkt te kloppen. De drukte is overweldigend en parkeerruimte is hier niet te vinden tenzij je bereid bent het eerste half uur rondjes te blijven draaien door de smalle straatjes en langs de parkeerplaatsen. Richting Marseille kan vanuit hier niet en we moeten terug om via een andere weg daar naar toe te kunnen.
Tussen Cassis en Marseille ligt nog een stevige heuvelrug met de welluidende naam: “Massif de Puget”. Dit Massif moeten we dus over. Het hoogtepunt van dit stuk is de ‘Col de la Gineste’. Zowel de weg naar boven toe als die naar beneden is weer rijkelijk voorzien van natuurschoon. Het doet wat denken aan delen van zuidwest kust van Bretange. Onze bedoeling is de Calanque de Morgian te bezoeken maar we vinden de afslag niet naar het plaatsje Les Baumettes. Na enig rondrijden, zegmaar sideseeiing, kiezen we ervoor  dan via de afslag ‘le Redon’ naar Luminy te rijden. Op de kaart wordt i.t.t. de andere Calaques geen wandelpad aangegeven. Nabij het -Bureau de Post- kunnen we onze bus kwijt.
We nemen alles mee wat wij maar kunnen bedenken om straks aan zee ook alles maar te kunnen doen wat wij maar zouden willen doen. Drinken, zwemgoed, handdoeken, zwembandjes voor de jongsten, bodyboard van de oudste, opblaasboot voor alle kinderen plus de pomp en de peddel, het kleed, de schepjes en emmertjes en nog wat drinken voor de zekerheid. Dat gaat allemaal mee in één grote rugzak, één kleine rugzak, een plastic zak en nog wat losse spullen in de hand.
De Calanques bij Cassis zijn echte toeristenstrandjes en dus bomvol. Hier zien wij wel wat auto’s links en rechts  geparkeerd, maar druk is zeker niet. Bepakt en bezakt lopen we enkele mensen na die ook net uit een auto zijn gestapt en met zwemgoed, vermoedelijk, richting zee lopen. En inderdaad zie we even later een toegangshek met twee parkwachters van de ‘Foret de la Gardiole’ er bij staan. “Police de Parc” zien  wij op hun petten en hun borstzakken staan. Het infobord bij de toegang leert ons dat wij ongeveer een half uur omhoog moeten lopen en daarna 60 minuten naar beneden. Dat valt wat tegen. We zijn echter wel wat gewend en de kinderen vinden wandelen niet vervelend en met goede moed gaan we dan ook op pad. Inmiddels is het al wel 14.00uur. Het bos geeft gelukkig de nodige verkoeling. Na pakweg een half uur zijn we dan ook op de top. Al die tijd is het pad licht omhoog gelopen, zo licht dat we er maar weinig van gemerkt hebben. In de wielersport noemen ze het graag -vals plat-. Na de top loopt het pad gewoon verder en draait naar links, wij volgen echter andere mensen die van het pad afgaan en een smaller pad oplopen. Dat blijkt uit te komen bij een ‘lelijke’ afdaling. Een door veel mensen voor ons betreedt pad maar niet wat  je noemt geëffend. Rens en Naut vinden het prima en gaan de berg af als klimgeiten, wij volgen met een wat angstige Benthe. Het is een steile afdaling van rotsen en platgetrapte struiken en ander struweel. Links en rechts rijzen ongelooflijke grote rotsmassa’s op, wel 300 mtr. hoog. Schitterend, ongekend prachtig en imposant.
Na deze, toch ongemakkelijke afdaling, zeker met de volle bepakking, komen we weer op het oorspronkelijk pad. Dit gaat al snel over in een betonpad. Het is tussen die rotsmassa’s bloedheet. Af en toe komt een zeewindje wat verkoeling brengen en dat maakt het lopen nog wel plezierig. We dalen en dalen en dalen en op enig moment houdt het betonpad op en eindigt in een ronde, ommuurde rustplek. We zien wat bomen, prullenbakken en vooral veel verhitte gezichten van stijgers en dalers.
 
We hebben nu goed zicht op de Middellandse zee en in de diepte onder ons lonkt de Calanque de Sugiton. We zien tenminste minimensen die op soortement strandjes liggen en andere op grote rotspartijen. Als wij wat hebben uitgerust gaan we verder. Het pad is een smal paadje geworden en links van ons is het rotsmassief waar enkele klimmers hun sport beoefenen.  Het pad wordt smaller en smaller en slechter en slechter. Je moet heel goed opletten waar je je voeten zet. Rechts ligt de afgrond, wel eens waar niet loodrecht naar beneden maar schuin naar benden stekend en gevaarlijk genoeg. Een smak naar beneden levert  je  minstens een paar gebroken botten op; een doodssmak is ook niet ondenkbeeldig. Er staat maar weinig om dit te voorkomen. We zijn nu ons doel zo dicht genaderd dat er van teruggaan geen sprake meer kan zijn, zonder een duik in het zilte nat te hebben gehad. Voor zover er nog sprake is van een pad, houden wij dat aan. Het is meer een zoeken naar en waarlangs we het minst slecht  en het meest veilig beneden kunnen komen. Een bord maakt ons er op attent dat we ‘Cap Sugiton” bereikt hebben en meldt ons tevens dat het links afdalen “dangereux” is wegens losliggende stenen en rotsblokken. Om het bord heenkijkend zien we een groot rotsplateau aan de rand van het water. Daar naar toe lijkt ons uitgesloten, bijna loodrecht naar beneden! Hoe die mensen die op het plateau liggen er zijn gekomen is ons een raadsel, vast niet via deze route, dat lijkt uitgesloten. Rechts is het wel beter, zo lijkt het en zo’n twee- driehonderd meter onder ons zien wij ook een ‘strandje’ liggen. Het ‘pad’ waarlangs gedaald kan worden wordt nu aangegeven met rode verfstrepen op de rotsblokken. Voetje voor voetje, de kinderen tussen ons in, gaan we verder. Het is doodeng en we houden elkaar bij shirt of broek vast om in ieder geval maar iets vast te hebben. Langzaam gaan we verder, tastend, zoekend, voelend. We zweten als otters en niet alleen vanwege de hitte. Gelukkig gaat alles goed. De laatste vijftig meter moeten we echt naar beneden klauteren, stukje voor stukje de berg af. Eerst het ene kind, daarna de ander en tenslotte de derde. Hulp biedend en steun gevend bij deze afdaling. De rugzakken en overige spullen zitten ook hinderlijk in de weg. Uiteindelijk zijn we dan toch benden.  YES! Uh …Qui! De laatste drie meters zijn bloedlink. Recht naar beneden, op de uit stekende rotspunten.
De ‘plage’ is erg druk en ook erg klein; een paard zou er z’n kont met moeite kunnen draaien. We vinden nog een piepklein plaatsje tussen de rotsen om onze spullen neer te gooien. We begrijpen nu wel waarom al de Fransen zo vriendelijk lachten als zij ons tegemoet kwamen lopen of ons inhaalden. Niet alleen maar vanwege de blonde haren van onze jongens en onze ‘petit file’. Dit was bepaald geen plek voor het opblazen van de boot of voor het bodyboardsurfen. Pootje baden kan je hier echter wel goed en als je het lef hebt het koude water te trotseren, zwemmen tussen de rotspunten die links en rechts het water uitsteken. Het is inmiddels al 15.30uur en met angst en beven zie ik de terugtocht tegemoet. Vooral ook die eerste twee- driehonderd meter naar boven.
Tussen de dertig mensen op dit strandje vinden we nog een plekje om met de voeten in het water te bengelen. De kinderen zijn de spannende tocht alweer vergeten zo lijkt het. Ze spelen vrij en blij aan de waterrand en na enige tijd ook volop in het water bij de glibberige rotsen. Ondanks alles is het hier wel schitterend! We hebben een doorkijkje naar de overkant van onze baai. De zon steekt er mooi tussendoor en doet de overkantse rotsen mooi witgrijs opgloeien. Een prachtig gezicht. De ‘locals’ zien we hier maar ware doodsverachting van steen op steen springen, van rots naar rots. Een vader met een baby in zijn arm komt op gympen heel dood gemoederd van boven af naar beneden huppen. Deden wij nu zo moeilijk?? Vragen we ons af? We hebben geen zin dit uit te proberen.
Aan het eind van de middag besluiten we weer te vertrekken, de eerste tweehonderd meter zijn inderdaad zo moeilijk en moeizaam als ik mij vooraf voorstelde. Zelf Rens heeft ‘m stevig knijp. Wij houden onze jongste twee angstvallig stevig vast. We moeten rusten!! De koelte van zee die wij zojuist hebben opgedaan heeft al weer plaats gemaakt voor het stinkende zweet en ook blijkt dat onze conditie duidelijk te wensen over laat. We hijgen als paarden. Ook het restant van het pad tot aan het rustpunt met het muurtje rondom wordt nog verschillende malen onderbroken door rustmomenten. We hebben gelukkig zuinig gedaan met ons drinkwater en de enige fles die leeg is gedronken hebben we gevuld met zeewater om een koele plens op het hoofd en de handen te kunnen doen. We zijn dolblij als wij weer op het gewone betonpad staan en de klim omhoog weer normaal wandelend kunnen aanvangen. We lopen nu het pad volledig en beginnen niet nog eens aan de klim die we in het begin dalend hebben afgelegd. Dat we daarvoor nog wel een extra kilometertje moeten lopen nemen we voor lief. Overigens worden we door iedereen ingehaald, ons tempo is dan ook nul komma nul. Als we tenslotte weer het einde van het park bereikt hebben en onze mooie, rooie bus zien staan komt er een onwelsprekend voldaan gevoel over ons. We did ‘t!! We hebben het toch maar ‘even’ gedaan! En niet te vergeten tocht. Na een bliksembezoek aan een snackbar in Cassis komen wij nog net voor het donker weer op de camping terug. De kinderen willen graag naar bed. Hondsmoe maar erg voldaan. Wij drinken nog een vin rouge op de goede afloop!  Wat is Frankrijk toch mooi!

Ma. 7 aug. 00
We breken de boel weer af en verlaten de camping van Ceyreste. We rijden rechtstreeks naar het strand van Cassis om daar heerlijk en ongegeneerd te genieten van de Middellandse Zee. Met boot, bodyboard, zwemband, kleed en boek. En dat is dat. Rens vindt het machtig interessant te weten dat we aan de Middellandse Zee zitten, aan de Cote d’Azur. Hij weet het vele malen te herhalen. Na 15.00 uur verlaten we het strand en pakken, tegen de gewoonte in maar wel belust op enige tijdwinst, de tolweg richting Lyon. Met het gevoel de snelheid van de TGV te halen gaan we ‘omhoog’ om er pas bij Cavaillon af te gaan. We rijden richting Apt. We willen nog een bezoek brengen aan de Montagne du Luberon. Als we om Cavaillon gereden zijn en net de D2 op rijden zien we er weer één. Een HY. Zo verroest als wat maar toch is het kiekje wel zo geschoten.
Wij rijden via de N100 naar Apt en slaan daar af de D48 op richting Saignon voor een kampeerplaats. Alweer COMPLET en alweer mogen we er toch in. En nog wel op plaats nr. 1. ’t Is te gek voor woorden maar op één of andere manier schijnen wij een neus te hebben voor campings die vol zijn en toch nog plaats hebben. Thuis noemen we het selectief toegangsbeleid. Volgens onze tijdelijke (Nederlands) buren is het hier ook al drie weken mooi weer en dit een erg rustige camping. We lezen de bordjes die her en der aan gebouwen en bomen hangen: Niet fietsen op het terrein, niet skaten op de (geasfalteerde) wegen, niet hard rennen op de camping. Bij de sanitaire voorziening lezen we dat er niet gespeeld mag worden. Bij het zwembad: niet roken, geen voedingswaren mee, geen honden, niet met een bermuda zwembroek in het water, niet rennen, geen zonnebrandolie gebruiken en meer ge- en verboden. Tja, zo houdt je het wel erg rustig op een familiecamping. We besluiten hier één nacht te blijven want voor de kinderen is er geen lol aan.

Di. 8 aug. 00
We zijn nu eens echt vroeg weg. Geen tent en luifel af te breken en dat scheelt behoorlijk wat tijd. We spreken, vlak voor vertrek, een Nederlands echtpaar dat hier al 18 jaar (op deze camping) verblijft tijdens vakantie weken. Wij weten niet wat hen hier bindt maar het moet wel heel bijzonder zijn. ’t Zal de rust wel zijn. Maar dit terzijde. Van hen krijgen wij veel tips en hints waarvan de komende dagen wellicht gebruik kunnen maken. Eenmaal op weg rijden we terug via Apt  en ‘zakken’ we via de D943 naar Lourmaine en Cadenet in de hoop een camping te naar onze zin te vinden. We willen wel weer wat langer staan en dat stelt andere eisen aan een camping dan 1 voor een nacht. Wat dat nou precies is kunnen we vaak niet uitleggen. Beiden weten we het al op het moment dat we op een camping komen of het wel of niet de goede voor ons is. Met dat we Cadenet uitrijden zien we nabij een garage de kop van een HY. Als we later op de dag hierlangs terugrijden fotograferen we deze alsnog. Deze staat er met nog een aantal anderen verscholen in het groen. Het struweel woekert over alle wrakken welig. Een extra groene struik trekt onze aandacht in het bijzonder. Het lijkt of het lichte groen een Eend voorstelt. Als we goed kijken en nog eens kijken blijkt er nog een echte eend onder te staan ook. We schieten hiervan een plaatje. Heel uniek!!
 
De andere HY-wrakken kunnen we niet benaderen vanwege een grote waakhond, aan de ketting, enne ...
Een paar kilometer verder vinden we weer een HY, nu op een open veld tussen afgekeurde stads- of streekbussen en vrachtwagens. Ook hier kunnen wij niet genoeg dichtbij komen. Toch, met zoomlens, gaat ‘ie op de foto.
Met de campings aan deze zijde van de Luberon wordt het niets. We toeren derhalve weer naar Apt en rijden verder omhoog via de D22 richting Banon. Onderweg doen we nog drie campings aan die alle drie geen genade vinden in onze ogen. Te leeg, te vol of te onoverzichtelijk. In, of vlakbij Banon moet links van de weg ook een camping te zijn. We hopen op een bordje Camping. Niets. Uiteindelijk rijden we Banon zelf in, we rijden het dorpje door, we rijden het dorpje bijna uit als we in een flits op het laatste pleintje rechts van de weg twee schitterende Tractions zien. Strak in de lak! Links van de weg een oude grijze HY die vermoedelijk nog in gebruik is. Alles gaat direct op de foto.
We zijn kennelijk bij een liefhebber beland: een DS staat -met z’n kontje naar buiten- een garage uit te puilen. In een gedeelte daarnaast vinden we nog een Traction in opbouw en daar achter staat een …. Uit 1932. De eigenaar weet ons te vertellen dat de auto, die ook nog in volledige restauratie staat, de beroemde race Paris-Dakar heeft gereden. Fabuleus, fantastisch, woorden schieten te kort en fotorolletjes ook. Nog net een plaatje over op het rolletje en ook deze wordt vereeuwigd.
De camping is echter nog steeds zoek. Bij het terugrijden vinden we alsnog de campingborden. En daarna de camping. En ja, dit is gelijk de goede. Wat ruimtelijk, wat schaduw, niet te groot, niet te klein, wat speelattributen voor de kinderen en als we even goed rondkijken zien we ook nog een zwembad. We hebben zelfs moeite te kiezen uit de goede plekken. Als we dit dan eindelijk bepaald hebben staat de boel er ook weer zo. De kinderen plonzen gelijk het water in. Ik trek een potje bier open. Smaakt ook heel goed in Frankrijk.

Wo. 9 aug. 00
Weer rustdag; in principe betekend dat niet autorijden, de ochtend en het merendeel van de middag wordt besteedt aan zwemmen en ook wordt de boel in en om de bus wordt eens stevig onder handen genomen. De kasten weer even hersorteren, de planken netjes maken, her en der wat beter ordenen. Ook het inwendige wordt verzorgd: water en olie check e.d. In de namiddag pakken we toch nog even de bus om boodschappen te doen. We draaien links de camping af en als we deze voorbij zijn zien we een eldorado van oude auto’s en vanaf onze zitplaatsen in de auto zien we zeker 3 HY’s. Dat is voor straks.
 
De boodschappen doen we in een ander plaatsje dan Banon, richting Apt, als we terugkomen zien wij, vlak voor Banon schuin achter een huis in het open veld waarachtig weer een HY. Deze is echter echt te ver weg en onbereikbaar. Het weggetje naar het huis toe vinden we later ook; een horde wild blaffende honden weerhoudt ons de HY op deze wijze te bezoeken. Veiligheidshalve wel te verstaan.
Na terugkeer op de camping pakken we het fototoestel voor een bezoek aan het autokerkhof. We vinden er vijf afgeleefde HY’s en nog veel meer vergane Citroën glorie. Tractions, een spikkeleend, DSen, Azu’s en GS en nog meer liggen hier als één grote familie gezamenlijk in het Franse land weg te rotten.

Do 10 aug. 00

Vandaag staat een bezoek aan Fontaine de Vacluse op het programma.
Eigenlijk wat noodgedwongen omdat het nog (te) warm is om het ‘Colorado’ van Frankrijk te bezoeken. Vanuit Banon pakken wij de D950 naar Sault en dan de D942 via de Gorges de la Nesque richting Carpentras. Opnieuw worden we getroffen door de wonderbaarlijke en natuurlijke schoonheid van de natuur. Dit is een klein ‘Verdon’. Rotsmassa’s met diepe, steile kloven waarlangs onze weg loopt. We moeten echt even stoppen voor wat foto’s. Het blijft mooi. Al met al duurt de rit weer langer dan we vooraf hadden ingeschat. Laat in de voormiddag komen aan in Fontaine. In tegenstelling tot onze verwachtingen is het niet goed  mogelijk te zwemmen. Een lelijke tegenvaller!  We lopen door het toch wel ernstig toeristisch plaatsje. Nieuwsgierig lopen we met de stroom mensen mee en belanden via vele souvenirwinkeltjes en kraampjes bij de bron waaruit het riviertje ‘Sorque’ ontstaat. De hoofdbron ligt ‘droog’. We zien een enorm gat met -heel laag- daarin een plas water. Het lezen van enige literatuur leert ons dat de bronput zo’n 830 meter diep is en wordt gevoed door een onderaards rivierenstelsel. Overigens ligt de bodem van de put altijd nog op zo’n 85 mtr. onder de zeespiegel. Het lijkt ons prachtig dit nog eens in het voorjaar te zien; met hoeveel kracht het water uit het nu grote lege gat gestuwd wordt. Nu moeten wij het doen met ansichten. Het toeristisch gehalte zal in een voorjaar ook aanzienlijk lager zijn. Dat zal ons waarschijnlijk ook beter bevallen. Nadat Rens, Naut en ik het gat weer uitgeklommen zijn wandelen we terug naar de auto. Warm is het nog altijd en de roep om verkoeling van de kinderen neemt toe. Met alleen een ijsje komen wij er niet van af. We rijden via ‘l Isles-la Sergru en En Muray naar Gordes.
 
De eerste plaats is evenals de tweede plaats een uitgebreider bezoek waard. ‘l Isles is een schilderachtig oud stadje wat ook wel het Venetië van Frankrijk wordt genoemd, zoiets als dat wij Giethoorn hebben. Overal watertjes, bruggetjes en grote waterschoepen. De hele stad is er ruim in voorzien. Gordes is naar het schijnt een plaats met een hoog kunstenaars gehalte. Het oogt buitengewoon vriendelijk en idyllisch, zo hoog op een berg. Ook hier willen wij graag nog eens terugkomen  voor een uitgebreider bezoek. We beperken ons nu tot het er door heen rijden.
We vangen de terugtocht aan zonder nog maar enigszins kans te hebben ergens te water te gaan. Bovendien begint de klok ook al op laat te staan en enig voedsel in de mag zou ons zeer welkom zijn. Van Gordes af rijden we naar Mus en via de D5, zo’n klein wit weggetje op de Michellin kaart naar Sault. We rijden nu de Gorges la Nesque aan de andere kant. Hoewel de weg voldoende uitzicht biedt op het dal zo tussen bos en struikgewas door heb ik daar nauwelijks oog voor. Ik krijg een stevig lesje -rijden in de bergen- op een smalle weg met de veel bochten, haarspelden en nog meer omhoog en omlaag en het vergt heel wat stuurmanskunst om dit zonder ongelukken te volbrengen. Terrible!! De bus heeft het ook zwaar. Het piept en kraakt aan alle kanten! Eenmaal terug op de camping liggen we, direct na het uitstappen in de piscine. Waarom dan ook weggaan, vraag je je dan weer af.

laatste deel .... Vrijdag 11 aug. 00
Aan het eind van de middag gaan we voor nog wat boodschappen de auto in. Ons plan is om deze in Manosque te halen. Tijdens de rit bedenken we dat we ergens op een mooi plekje zullen –diner-picknicken! Leuk! De kinderen hebben er gelijk zin in. We nemen opnieuw de D950, nu de andere kant op naar Forcalquin (ook al zo’n mooie plaats), dan via de D13 naar Voix, de N96 naar Manosque. In Voix moeten wij voor een stoplicht op de remmen. Aan de rechterzijde zien we op een pleintje van bescheiden afmetingen een Pizza-HY. Na groen draaien we onmiddellijk het pleintje op. De dames achter de toonbank willen mij graag een Pizza verkopen wat echter niet de bedoeling is. Als ik mijn fototoestel te voorschijn haal, snappen ze wat ik  wil en poseren zich gewillig. De schoonheid van de auto overtreft echter die van de dames. Een klant aan de kar positioneert zich eveneens stevig aan de zijkant van de wagen. Wellicht hoopt hij op deze wijze wereldberoemd te worden.
De boodschappen zijn snel gedaan en we volgen vanuit Manosque de D907 over de Durance (die onder meer water krijgt van de Verdon en de Asse). Linksaf de D4 op. Bij de brug over de Asse vinden wij ons lieflijke plekje nadat wij vanaf de D4 al die tijd op de lege oevers van de Durance hebben neergezien. Geen mens en ook geen hond te bekennen. Her en der een stroompje water en wat diepe poelen in de bedding v/d rivier. We bouwen weer dammen, leidden stroompjes water om, verleggen de hele rivier, gooien steen in de poelen. Kortom groots vermaak en een prettig, heerlijk  picknick-diner. De zon schijnt nog net over de bergen aan de overzijde van de rivier wat een schitterend landschap oplevert van verstilde kleuren in zachte tinten. Een echt zomeravondgevoel overvalt ons.
Toch moeten we op ‘huis’ aan. Via Craisson de N100 weer naar Foncalquin en met de D950 weer terug naar Banon. Het is schemerdonker en we genieten allemaal. Voor de jongsten is een extra leuk want we het is nu zo donker dat de koplampen van de auto aan moeten. Hebben zij nog niet eerder meegemaakt. In een baldadige kwajongensbui doen we onze tweetonige hoorn lange tijd aan. Echt lachen!! Als een heuse brandweerauto (alleen het zwaailicht ontbreekt) zoeven we door het Franse landschap. Het spijt mij zelfs na enige tijd de hoorn weer uit te moeten doen. Het is niet onze bedoeling de hele streek hier van streek te brengen met ons luchtalarm. Tevreden komen we weer op de camping terug. Valt er nu nog meer te genieten? We hebben nóg een week!

Za 12 ag. 00
“Colorado”, een zandverstuiving, een afgegraven berg ten behoeve van okerwinning. Vlak bij het plaatsje Rustrell.
Het is weer één en al verwondering en verbazing dat ons overvalt. Ook hier is de natuur weer zo gul geweest met het toedelen van verschillende soorten schoonheden; her en der wel geholpen door mensenhand. 
Vanuit het groen van het bos en het grijs van de grintwandelpaden belanden wij in een toverlandschap. Een sprookjestekenfilm.
We komen  ‘zandschoorstenen’, een woestijn en een waterval tegen. Het is wonderlijk mooi. Voor alle drie bezienswaardigheden, en dat zijn ze ook, zijn wandelroutes uitgezet. Bij de zandschoorstenen lopen we de tegengestelde route. Dat is op geen enkele wijze hinderlijk, het blijft mooi. De zandbergen torenen loodrecht omhoog. Op een zijpad zien we dat andere mensenkinderen hun naam in het zand gekrast hebben. Rens, Naut en Benthe worden hieraan toegevoegd. Met een takje kan bijna moeiteloos in de zandberg worden gekrast.  Dat zo’n berg niet omdondert ….  Op enkele ‘schoorstenen’ ligt een joekel van een kei. Je zou denken dat door regen, weer en wind de zandbergen binnen de kortste keren afgebrokkeld zijn. Het tegendeel lijkt eerder waar te zijn: ze staan als een huis. Als we na enige tijd ook aan de bovenzijde van de schoorstenen staan, zien we een onlogisch landschap om ons heen. Links en rechts de zandhopen, voor en achter ons en in de verte het Frankrijkgroen van bos en weide. Heel absurdistisch. We zijn diep onder de indruk van dit wonderbaarlijke stuk natuur.

Het tweede gedeelte, de feitelijke Colorado, doet zijn naam eer aan. Het pad er naar toe bestaat uit verschillende stukken gekleurd zand. Alle geel- en bruin- en roodschakeringen zijn vertegenwoordigd. Het binnenlopen van deze miniwoestijn doet de verbazing alleen maar toenemen. De gele zandstroken en de roodachtige zandstroken liggen gebroederlijk, of gezusterlijk, naast elkaar zonder noemenswaardige vermenging. Het is zo’n onwerkelijk gezicht! Uit de auto hebben we snel wat plastic zakjes gehaald om van de verschillende kleuren een beetje mee te nemen. Ook om er thuis mee te kunnen schilderen. Vroeger werd hier oker gewonnen, bewijzen daarvan slingeren her en der nog in het rond. Lange metalen buizen die ik associeer met de afzuigbuizen die we frequent zien op de stranden voor het opstralen van de duinenrij bij Zandvoort aan Zee, Bloemendaal aan zee en de vele andere plaatsen aan zee. Ik wist voordien niet dat er voor kleurstoffen ook mijnen bestonden en dus ook niet dat dit op deze wijze gebeurde. Naar het schijnt werden kunstschilders en maker van aardewerk in de wijde omtrek van kleuren voorzien die hier werden gewonnen.
Dat het echte kleurstoffen zijn merken we direct. De kinderen vliegen, rennen en draven door het woestijn landschap. Binnen de kortste keren zijn ze geel, rood en bruin. Zij hebben gelukkig oude kleren en schoenen aan. Alle overige blootliggende delen zoals armen, benen, handen en gezichten zijn binnen de kortste keren aan alle kanten gekleurd.
 
Wij voegen het onze eraan toe door ze, met wat water uit de veldfles met zand te mengen, als indianen te beschilderen. Fantastisch! Ze hebben lol voor tien en wij niet minder. Ze zijn absoluut ontoonbaar geworden. Alles is rood, geel en wit in alle variëteiten. Al met al is het weer ongekend wat we mee maken en beleven. Overigens is het toeristisch gehalte aanzienlijk lager dan elders. Vanuit de woestijn lopen we naar de waterval.
Nou ja, waterval… een kleintje dan. Toch is het heerlijk verfrissend om even je hoofd onder het straaltje te houden en bezwete armen te verkoelen. En voor wat de twee jongsten betreft, wat nog niet gekleurd was is het hierna. Dan denken wij nog in onze onschuld: “dat wassen we er wel weer uit”. Vergeet het maar. Nu nog hebben de kinderen gekleurde onderbroekjes! En die zijn niet gekocht! Via een per ongeluk ingeslagen wandelroute, waarvan we dachten dat deze ons rechtstreeks naar de Parking zou leidden, komen wij in het naastgelegen bosgebied. Met een omweg, wat geklim en gedaal en weer geklim komen we uiteindelijk aan de zijkant uit van het schoorstenengedeelte waarover wij nu goed zicht hebben.
Als we tenslotte weer bij de auto zijn en onze klok eens raadplegen hebben we ruim vijf uur ons hier vermaakt.
Bij de parking staat overigens ook een HY. Geschilderd in bijpassende kleuren van het Colarado. Deze doet dienst als schuilplaats voor de parkeergeld vragende dames. Ik heb de indruk dat deze ook nog kan rijden.
Voldaan gaan we terug naar de camping. Wat een dag!
’s Avonds worden de kinderen uitgenodigd bij het campingvriendinnetje van Naut en Benthe. Pannenkoeken!! We komen erachter dat de ouders van het meisje, Danee, ook de Jong heten. Het wordt in onze ogen nog gekker als zij ook uit Haarlem blijken te komen. Dat verklaart in ieder geval de voor ons vreemde opmerkingen bij het halen van het brood in de ochtend bij de campingbaas (de Sjongk? …)
Als wij later met deze mensen bij ons de koffie en de borrel genieten (want alles is in Frankrijk genieten) blijken er nog meer overeenkomsten te zijn. Tot op het verwonderlijke af. Misschien was het schijn en was de wijn er de oorzaak van. In ieder geval was het leuk en werd het ergggg laat!


Zo. 13 aug. ’00
Onze laatste volle dag op deze camping. Na deze ‘rustdag’ gaan we weer wat omhoog, zo is de bedoeling. In de namiddag rijden we weer weg op zoek naar een watertje. Via de D5 vanuit Banon zakken we weer af naar Manosque. Ella heeft, min of meer aan de andere zijde van de Durance nog een meer ontdekt waar we naar toe rijden. Via de D907, een klein stukje rechtsaf de D4 op en vervolgens via de D82 naar Gréoux-les Bains. Vanaf dit plaatsje zien we bordjes staan: -Plage de St. Jean- en vervolgens: Bassin. Dit meer wordt ook gevoed door de Verdon. Via een onbeduidend, nummerloos weggetje, smal, kronkelig maar wel stijgend worden we naar het meer geleid. De weg is ook erg oneffen. De motor is als een beest, een groot zwaar beest dat gromt, knort, pruttelt en spetteren en zich omhoog bijt. Het wegdek is na enige tijd ronduit slecht. Het beest gromt harder en harder; zwaar en moeizaam hijst het zich naar boven. Langzaam maar gestaag bereiken wij en het beest, nu trillend en stomend, het topje. De laatste bocht… Pats, vol op de remmen. Voor ons een vijftal auto’s in hun achteruit de berg beklimmend die wij juist weer af willen dalen. We zien de Parking van het meer al om het hoekje heen liggen. Beide bermkanten staan vol met auto’s en meer dan vijf meter kan ook ik niet achteruit en meer naar rechts kan door een enorme rotsklomp ook al niet. Na veel gemedder en gesteggel lukt het auto na auto achter te kruipen langs onze bus. Het gaat maar net goed. Na deze vijf komen er nog een stuk of vier met de neus naar voren de berg op gekropen. Die gaan duidelijk weer op huis aan. En omdat stijgend verkeer voorgaat op dalend verkeer moeten de komende vijf (en wij, dus) achter uit de berg weer op. Maar op deze wijze zijn wij wel weer de eerste geworden. Op het gevaar af dat wij links of rechts toch een auto beschadigen dalen we rustig zo’n vijfhonderd meter tussen de geparkeerde auto’s door. Sommigen staan levensgevaarlijk op het randje en bieden de nodige ruimte. Anderen zijn voorzichtiger geweest, maar laten daardoor weinig ruimte. Degene die de auto met kont op kop schuin ingestoken hebben zijn het meest link aanwezig op de weg, een lamp ligt er zo af… De parking lijkt weer eens overvol. In het midden twee rijen en erom heen een rij. Tegen de stroom in rijd ik de parking op. Naast een bul van een camper vinden wij ons plekje –kennelijk door niemand eerder gezien-. De auto’s in het midden zullen overigens wel iets meer moeite hebben uit te draaien. Het kan niet anders. Bovendien verschillen we hiermee niet veel van andere wagens die we aan onze kant zien.
Met dat wij ons aan de waterkant vestigen aan het tegenvallende meertje komen de eerste wolkjes aan de hemel al snel gevolgd door grotere. Met de drukte valt het overigens nog mee, daar aan de waterkant. Achter ons op het grindachtig strandje zijn een dame en heer van twijfelachtige middelbare leeftijd neergestreken. Met hen twee kinderen, stevige pubers. De dame is, net als de heer nogal fors uitgevallen. Hij slaapt of houd zich slapende. Haar buitenbroekse begroeiing is ook buiten proporties. Hij is trouwens ook niet helemaal fris. Met elk respiratoire snurk vernemen wij ook een wind. Broekhoest?!
Er volgt meer wind maar dan uit andere hoek, wat later komen er nog grotere, zware zwarte wolken. Nog geen drie kwartier na aankomst pakken we snel onze spullen en vluchten we de auto in. De paar honderd meter omhoog zijn net zo grimmig als de heenweg omhoog. Onze bus klauwt zich naar boven. Over naar de afdaling, in z’n één uiteraard. De bochten volgen elkaar snel op. Soms in elkaar overgaand, meestal zo’n vijftig tot honderd meter uitéén. Telkens moet stevig worden bijgeremd. Dit doe ik niet te voorzichtig maar stevig en hard. Na een tiental bochten begint, telkens als ik op de rem trap het stuur ernstig te trillen. Ik ben wat bang voor remfoading, werkweigering van de remmen. Het gaat echter allemaal goed tot ook de laatste bocht achter ons ligt. Naderhand hoorde ik dat als de remmen echt dreigen te gaan weigeren dat je dat onmiddellijk zal moeten merken aan een stankgeur. Wie het beter en nauwkeuriger kan omschrijven moet zeker dit even op papier zetten. De laatste kilometer naar het plaatsje toe is rechttoe, rechtaan. Het dorpje in en het begint te regenen. En gelijk maar heel heftig. En kort. Valk voor Manosque krijgen we echter de grootste bui. We rijden stapvoets want meer is niet verantwoord. We zien geen steek voor ogen. Wel is het in de bus stikheet. De ventilatiemogelijkheden beperken zich kiertjes van de tochtkleppen onder de ramen. Het is een ontzettende hoosbui. Ongekend! Daarna, als donderslag bij heldere hemel is het weer snel droog. Door foutief rijden zien wij op enig moment bij een Volvodealer een HY op het terrein staan. Die knippen we even mee.
We rijden voor de bui uit richting Banon. Tussendoor zien we nog een HY staan bij een lavendel verwerkingsfabriek. Ook die leggen we nog maar even vast op de gevoelige plaat, al dan niet voor het nageslacht.
Die avond blijft het spannend. Over de heuvelruggen in noord, oost en west dondert en bliksemt het vervaarlijk. We twijfelen: zullen we de tent van de jongens zullen afbreken of laten we deze staan. We laten ‘um staan. Afgezien van een enkele spetter blijft het bij ons droog terwijl we wel van een boeiend nachtelijk vuurwerk van bliksem en onweer kunnen blijven genieten.

Ma. 14 aug. ’00
Vlak na tienen verlaten we ‘le petit blue’. Het is weer net zo warm als de dag(en) er voor. Gelukkig waait er wel een frisse wind via de D950. D951 rijden we naar Chateau-Arnoux om daar de N85 weer op te pakken vaar Sisteron. We willen eigenlijk via de A51, tolweg naar Grenoble, maar dat staat niet op de borden, zodat we in alle wijsheid maar besluiten toch de N75 te nemen. Deze is niet minder mooi dan de route heen via de N85, de Route Napoleon.Het verveeld ons voor geen moment. Helaas zijn de fotorolletjes vol en hebben we nog geen nieuwe op voorraad liggen. Extra jammer nu we onderweg nog een stuk of 5 HY’s tegen komen, waarvan er nog twee zeker in gebruik.
We karren echter lekker door. Bij Grenoble pakken we weer het stukje tolweg wat wij heen ook hadden. Nu náár Voiron, waar we de N75 oppakken richting Burg en Bresse. Voor een frisse duik draaien we echter even de weg af en rijden  we naar het lac de Palandru. Wel even zoeken voor we inderdaad bij het water zijn. tegen betaling mogen we aan het meer zitten nabij Petit Bilieu. Daarna nog verder omhoog om na Amberieux en Bugey de N84 richting Natua te gaan. We stoppen bij Poncin. De camping die we aandoen, een ‘Municipal’ kennen we nog van 8 jaar geleden. Eéntje die nog betaalbaar is. Alles schoon en zinnelijk is naast de rivier de Ain. Door de bomen ook nog de nodige schaduw. Een aanradertje als doortrek of verblijfscamping.

di. 15 aug. ’00
voor een dagje absolute rust blijven we in Poncin. We wandelen naar het dorpje voor enkele boodschapjes en vermaken ons verder op de camping. 8 jaar geleden bleef hier onze klapkar achter nadat onze auto met een defect door de ANWB terug gebracht moest worden. Wij mochten met een Franse huurauto retour. Een halfjaar later hebben wij onze klapkar weer opgehaald, De man die ons in de vroege morgen ooit wijn uit de streek schonk blijkt er ook nog altijd te zijn.

wo. 16 aug. ’00
Vanuit Poncin vertrekken we naar ‘Le Pin’, vlakbij de plaats Digoin. Hier heeft een kennis een (2e) huis gekocht. We willen ze graag even bezoeken. Na pakweg anderhalf uur rijden zijn we er al. We worden hartelijk ontvangen, er zijn ook nog andere mensen op bezoek. Met de kinderen van ons en de kinderen van de kennissen en die van de kennissen van de kennissen klikt het direct. Daarover dus geen zorg.

Onderweg hierheen ontmoeten we echter nog een HY. Bij een stoplicht in één van de vele plaatsjes die we doorkruisen komt deze plots van links aanrijden. Ze hebben ons eerder in de gaten dan wij hen. Ze zwaaien met een fotocamera buiten de auto.
Wij laten ze weten dat we het begrepen hebben en als ik iets later het groen krijg en rechtsaf sla, staat daar al na 250 mtr. die auto te wachten.
We stoppen pal achter hen. We stappen uit en maken kennis met de Franse eigenaren van deze Franse HY. Keurig gespoten en strak in de lak staat deze auto voor onze neus. Een standaard HY. Van binnen eenvoudige slaapgelegenheid maar niet echt een camper. De man en vrouw zijn op de terugweg naar Reims. Zij komen net uit de Pyreneeën waar ze de Tourmalet en de Aubisque beklommen hebben met de auto. Ze zijn vol belangstelling naar onze vakantie belevenissen en reageren ook enthousiast als zij horen dat in ons Nederlandje wel twee HY clubs actief zijn. Zelf zijn ze geen lid van een HY-club, schijnt er niet te zijn in Frankrijk.
De auto heeft hij bij zijn ouwe baas op de kop getikt en zelf opgeknapt. Ze rijden er al drie jaar mee maar hebben zelden een andere rijdend gezien. We maken foto’s van elkaar auto’s en beloven deze elkaar te sturen. Ik krijg zijn visitekaartje, hij van ons een Camion-boekje. Weer een relatie rijker.

Do. 17 aug. ’00
Na gewekt te zijn door het rode ochtendgloren en beperkte ochtendrituelen genieten we van een gezamenlijke maaltijd. Her en der vallen ons de kleine oogjes van anderen op. Die van ons zullen niet veel groter zijn. Als de bus weer is ingepakt kunnen we rond 10.00 uur vertrekken. Dat komt goed uit want we willen nu een langere rit naar het noorden van Frankrijk maken zonder ons te moeten haasten. Met de Franse HY hebben we kennelijk ook gelijk de laatste gezien.
We kunnen lekker doorrijden. Als we bij Reims in de buurt zijn pikken we weer een stukje tolweg om er weer af te gaan als we naar ‘Mons’ willen. Nabij Verviers vinden we onze laatste camping. Een lekker klein ding, 38 plaatsen. De prijs is belachelijk laag in vergelijking met alle voorgaande campings waar we soms voor minder faciliteiten aanzienlijk meer moesten neerleggen. Nu zijn we voor pakweg ƒ 20,= klaar, stroom hebben we dan ook al.

Vr. 18 aug. ’00
Op weg naar huis. Zonder noemenswaardige belevenissen rijden we terug naar Haarlem. Om 17.00 uur zijn we thuis. Geen eens pech gehad! De kinderen stappen uit. Benthe gaat op de bank liggen. Ziek!




<< terug